Categoriearchief: Korte verhalen

Trap naar de hemel

Hoe komt het dat niemand uit de eerste hand weet wat er gebeurt na de dood, terwijl er tegelijkertijd zoveel verhalen en beelden de ronde doen? Het antwoord op de eerste vraag is natuurlijk dat niemand ooit is teruggekomen om het verhaal te vertellen. Waarschijnlijk vonden ze het de moeite niet waard toen ze zich eenmaal aan de andere kant bevonden. En het antwoord op de tweede vraag… daar kom ik nog op. Laten we beginnen met degenen die ons zijn voorgegaan.

Ik kan niet zeggen dat ik het ze kwalijk neem. Ik heb altijd gedacht dat als ik uiteindelijk de pijp uit zou gaan, ik niet meer terug zou keren, zelfs niet voor een laatste blik. Wat zou het nut daarvan zijn? Als je trein het station verlaat (of je in het geval van Elvis, het gebouw uitloopt), ga je niet terug voor je sleutels of een schone zakdoek. Wat gedaan is, is gedaan.

Als je jong sterft, heb je het volste recht om boos te zijn en om een tweede kans te vragen. Ik neem aan dat dat in een paar gevallen gebeurd is. Ze kregen nog een paar dagen, weken of maanden (waarschijnlijk geen maanden) om hun zaken op orde te brengen en te laten zien wat voor goede mensen ze waren. Daar zaten er vast een paar bij waar we die sentimentele films aan te danken hebben over te vroeg gestorvenen die voor de tweede keer verliefd worden, om vervolgens de weg naar eeuwig geluk geblokkeerd te zien door een bijdehante engel die ze een enkeltje naar de hemel voorhoudt. Niet mijn favoriete films, moet ik bekennen.

De hemel is natuurlijk waar we allemaal op hopen, ook al weten we dat de kans klein is dat we erin komen met alle ellende die we tijdens ons leven hebben veroorzaakt. Het is vreemd. De meeste mensen zijn nieuwsgierig naar de hemel, ook al weten ze donders goed dat ze zelf de andere kant op gaan. Maar hoop doet leven, zoals het gezegde luidt.

Zelf heb ik me nooit illusies gemaakt. Behoudens een administratieve fout van epische proporties was er geen enkele twijfel over waar ik zou eindigen. Wees nooit bang om je lot onder ogen te zien,’ zei mijn oma altijd. Dat was lang voor al die New Age clichés als ‘Voel je angst maar doe het toch’, maar het komt op hetzelfde neer: je doet iets slechts, je biecht het op en accepteert je straf. Het is niet moeilijk om te zien wie de begunstigden van zo’n strategie zijn. Niet de kinderen die het wordt voorgehouden, dat is wel zeker.

Toch zijn de lessen die we in onze kindertijd hebben geleerd niet gemakkelijk uit te wissen van het schoolbord van onze jeugd en lijken ze meer op de honderdelf onuitwisbare geboden op stenen tafelen die je de rest van je leven met je meedraagt. Vrije keuze wordt zwaar overschat.

Dit doet er allemaal niet toe als je tijd gekomen is. In het reine komen en opbiechten is wat je zult doen, of je het nu leuk vindt of niet. Vermoedelijk is het niet eens nodig. Ze weten het al, en als de weegschaal ook maar één gram in de verkeerde richting doorslaat, zijn de rapen gaar. Letterlijk.

Ik weet niet wat ik had verwacht. Het ene moment lag ik nog in het ziekenhuis en keek ik naar de welgevormde achterkant van mijn favoriete verpleegster (Harriet was een van de weinige pleziertjes die me nog restten), en het volgende moment stond ik onderaan een gigantische trap. Ik hoefde geen genie te zijn om twee en twee bij elkaar op te tellen. Dit was het grote moment, en de koelte van de lucht om me heen was in ieder geval een indicatie dat er geen barbecue op het menu stond. Nog niet, tenminste.

En, zoals elke optimist je zal vertellen, er was geen andere weg dan omhoog. Bovendien was er niets anders te doen. Die trap was alles wat er was. Er waren geen pluizige wolken, geen twinkelende sterren, en geen enkele engel die me vertelde wat mijn volgende stap moest zijn. Als er maar één ding te doen is, is dat wat je doet. Dus liep ik naar boven.

Eén ding zat me dwars toen ik de eerste stappen zette: Waarom was ik de enige daar? Ik bedoel, elke dag sterven er 150.000 mensen. Die trap had moeten krioelen van voordringende zielen, tenzij in de rij staan een doodzonde was en niemand als eerste wilde aankomen.

Maar ik was alleen. Ik en een trap zover het oog reikte. Wat trappen betreft, had ik betere gezien. Een beetje marmer had niet misstaan, maar die houten treden onder mijn blote voeten waren niet eens geverfd. En laten we eerlijk zijn, ik was ook niet gekleed voor de gelegenheid. Blote voeten en zo’n ziekenhuisjurk die aan de achterkant open stond. Een onflatteuzere outfit kun je je moeilijk voorstellen. Het minste wat ze hadden kunnen doen was fatsoenlijke kleren op de eerste trede leggen.

Domme gedachten misschien, maar als je een schijnbaar eindeloze trap oploopt, heb je genoeg tijd om na te denken. Ze zeggen dat als je sterft, je hele leven aan je voorbij flitst. Ze vertellen je er niet bij dat die flits een leven lang duurt. Dat is een film die ik echt niet nog een keer hoefde te zien. Maar het was niet alsof ik een keuze had. Het gebeurde gewoon en het duurde lang. Hoe lang, weet ik niet. Ik neem aan dat we geen klokken nodig hebben in het hiernamaals omdat tijd toch een illusie is, maar toen mijn levensflits eenmaal voorbij was, begon ik me af te vragen of ik ooit de top zou bereiken.

Ik vroeg me ook af wat er zou gebeuren als ik er eenmaal was. Zou er een met edelstenen bedekte hemelpoort zijn? Zou er een kerel met een baard voor zitten met een groot boek, of misschien een iPad? Of zou de heilige Petrus eruitzien als Charlton Heston in The Ten Commandments? Wat mij betrof stond Heston me daar in eigen persoon op te wachten. Ik kon hem vertellen dat ik een enorme fan was. Een beetje kontlikken kon geen kwaad en ik had niets te verliezen.

Of misschien was het christendom wel boerenbedrog. Dat zou me niets verbazen. Het is tenslotte een behoorlijk ongeloofwaardig verhaal. En dat brengt me bij de tweede vraag. Sommige mensen geloven alles. De Kerstman trouwde met de Paashaas en ze leefden nog lang en gelukkig op Venus. Ik weet zeker dat ik daar wel iemand in mee kan krijgen.

Hoe meer ik erover nadacht, en die eindeloze klim gaf me genoeg tijd om na te denken, hoe meer ik tot de conclusie kwam dat wat ik daar ook zou vinden, het een totale verrassing zou zijn. Misschien zou ik de archetypische Dood ontmoeten (ik veronderstel dat een hoofdletter D op zijn plaats is), compleet met een zwart gewaad en een zeis om je laatste levenslijn door te snijden, wat in mijn geval het infuus zou zijn dat nog steeds aan mijn arm vast leek te zitten.

Ik stelde me hem (of haar; dit was niet het moment voor seksisme) een beetje onpersoonlijk voor. Een mythisch skelet zou toch zeker geen weet hebben van menselijke beproevingen. Hij (of zij, of het) zou zich nooit zorgen hebben hoeven maken over brood op de plank, zou nooit hebben overwogen om op dieet te gaan of een ander kapsel hebben overwogen. Redeneren was al bij voorbaat gedoemd te mislukken.

Met enige schroom zette ik de laatste stappen.

Het enige wat ik zag, was een deur. Een schuifdeur. Geen poort te zien. En ook geen Petrus of de Dood. Na zo’n lange klim vond ik dat ik recht had op iets meer dan een kale schuifdeur. Gezien het leven dat ik had geleid, verwachtte ik geen koor van juichende engelen, maar kom op, enige vorm van welkom was toch zeker niet te veel gevraagd.

Naast de deur zat één knop. Een lift, dacht ik. Serieus? Na al dat klimmen? Hadden ze onderaan geen lift kunnen plaatsen? Ik drukte op de knop, de deur ging open en ik stapte naar binnen. Binnen zag ik geen knoppen. Natuurlijk. We konden alleen maar omhoog, zoals de optimist al zei. Maar we gingen niet naar boven. We gingen naar beneden. Naar beneden, naar beneden en nog verder naar beneden.

Dit begon aan te voelen als die symbolische geboortedromen die ik vroeger had, waarbij ik naar beneden gleed door een nauwe gang die almaar smaller werd of waarbij ik me door een steeds krapper wordend trapgat naar buiten moest wurmen. Ik wist alleen dat ik ergens naartoe ging. De temperatuur steeg, maar dat kon van alles betekenen. Binnenkort zou ik het weten.


Copyright © 27-02-2021 Theo van der Ster

De reacties onder dit blogbericht zijn gesloten. Wil je contact opnemen, dan kan dat op deze pagina.

Vreemdeling in een vreemd land

Er klopt hier iets niet. Er klopt absoluut iets niet. Het is niet alleen dat iedereen een muziekinstrument draagt alsof het een onlosmakelijk lichaamsdeel is, het is niet dat alle huizen ronde ramen en koepeldaken hebben. Elk gezicht ziet er vreemd uit en alle straatnaamborden zijn onleesbaar.

De lucht is ongetwijfeld warmer dan tien minuten geleden. Het ruikt zelfs anders, en die vage omtrek van bergen aan de horizon is er zeker niet eerder geweest.

Dit is Rotterdam niet. Of zelfs San José. Het is zeker niet thuis.

Stel je voor dat je door een bekende straat loopt, zonder op je omgeving te letten. Je bent in gedachten verzonken. Dan is er de plotselinge drang om te plassen en de welkome aanblik van een Aziatisch uitziend restaurantje. Je glipt naar binnen, en voor een paar korte seconden ben je echt in het moment. Je sluit je ogen en laat jezelf gaan terwijl je de druk van de dag voelt wegvloeien.

De snelste weg naar buiten is door een andere deur, en eenmaal uit het steegje achter het restaurant ben je al snel weer in gedachten verzonken en vertrouw je erop dat je voeten de weg naar huis zullen vinden.

Het duurt even voordat het tot je doordringt. Eerst is er die zwoele bries die de geur van onbekende kruiden en vluchtige melodieën met zich meedraagt. Dan het groeiende vermoeden dat de dingen niet zijn wat ze zouden moeten zijn. Heb je een verkeerde afslag genomen en ben je in een parallel universum beland of is dit het decor voor een gekke speelfilm?

Je hersenen worstelen met de onvermijdelijke keuze. Is de rest van de wereld gek geworden of ben jij het? Er moet ergens een fout zijn gemaakt, en je keert op je schreden terug.

Al snel ben je verdwaald tussen de koepelgebouwen. Je kunt de weg vragen, maar waarheen? Terug naar normaal? Die vreemde gezichten kunnen je niets vertellen. Je zou de taal niet begrijpen, en bovendien kun je je niet aan het gevoel onttrekken dat praten deze hachelijke situatie op de een of andere manier zal bestendigen.

Je zet er de pas in en stopt. Je kunt beter niet te veel aandacht trekken. Je loopt een paar straten verder, bang dat elke stap je nog verder in de verkeerde richting brengt.

Dit gaat niet goed aflopen. Mensen beginnen naar je te kijken. Straks komen ze dichterbij en beginnen ze lastige vragen te stellen. Wie weet waar dat toe zal leiden.

Maar misschien is dat wel goed. Misschien word je dan wakker. Maar dit voelt niet als een droom. Waarschijnlijker is het dat je hele leven tot nu toe een droom was en dit de realiteit is.

Die plas die je deed was dat je het metaforische bed nat maakte, en nu ben je wakker. Elke vezel van je wezen leeft en duwt je vooruit.

Je gaat een winkel binnen die lijkt op een pandjeshuis, gevuld met snuisterijen en allerlei rommel die in alle hoeken en gaten is opgestapeld. Het is er donker, en blindelings vind je je weg naar achteren, door een lange gang en dan door een deur waarvan je hoopt dat die naar een andere straat leidt, weg van het gepeupel.

De koude lucht slaat in je gezicht als je het gebouw verlaat. Je kijkt niet op en loopt een ander steegje uit, om vervolgens door een toeterende auto te worden tegengehouden.

Er waren eerder toch geen auto’s? De muziek is weg, en alles om je heen ziet er weer vertrouwd uit. Geen koepels meer, de straatnaamborden zijn in het Nederlands en de gezichten om je heen zijn de gebruikelijke vertrouwd uitziende vreemden.

Is dit echt gebeurd? Het voelt al als een droom, die snel vervaagt uit het geheugen.


Copyright © 25-10-2017 Theo van der Ster

De reacties onder dit blogbericht zijn gesloten. Wil je contact opnemen, dan kan dat op deze pagina.

Het is maar een schrammetje

Als er al een hemel bestond, moest die er wat Suki betrof wel uitzien als Mega Toys. Ze dwaalde door de eindeloze gangpaden en voegde in gedachten het ene na het andere stuk speelgoed toe aan haar verlanglijstje voor Kerstmis. De tovereenhoorn met zijn korte, stompe hoorn paste precies op haar nachtkastje. Het lachende aapje kon haar ’s nachts gezelschap houden, en de rijen vol Barbiepoppen beloofden lange middagen met verkleedpartijen en modeshows.

Een reusachtige teddybeer wees de weg naar een grot met elfen en feeën. Binnen had de zwerm vuurvliegjes er een hele klus aan om de donkere, fluweelachtige muren van enig licht te voorzien.

“Kijk, mama, een vijver met goudvissen. Wat zijn ze mooi, he.”

Ze hurkte bij de rand en stak een groezelig handje uit om een van de glinsterende vormen te aaien. De vissen schoten alle kanten op, maar kwamen al snel weer terug en Suki probeerde ze te herkennen en namen te geven.

“Jij bent Malnacort, en jij… jou zal ik Mirriwell noemen. Hé, Mirriwell, komen jij en Malnacort met me mee naar huis? Dan mogen jullie in een kom naast mijn bed slapen en me elke avond verhalen vertellen over je leven in de grote oceaan.”

De vissen waren echter niet erg spraakzaam, en al snel kon Suki de een niet meer van de ander onderscheiden. Ze verliet de grot en zwierf door de gangen. Het speelgoed was nu groter, en ook niet meer voor meisjes.

Er waren vrachtwagens, gigantische boortorens en rijdende tractoren en legervoertuigen. Suki fronste haar voorhoofd bij een gemeen uitziende gorilla. Haar eerste reactie was weglopen, maar ze hield voet bij stuk en stak haar tong uit.

De gorilla leek niet onder de indruk, dus zei ze: “Als je in mijn buurt komt, geeft mijn mama je ervan langs. Dus pas maar op.”

Ze rechtte haar rug en schreed verder als een koningin die een peloton soldaten inspecteerde. Vanuit haar ooghoeken hield ze de gorilla goed in de gaten om ze ervan te verzekeren dat hij bleef waar hij was.

Jongens hielden maar van vreemde dingen. Zonder de geruststellende aanwezigheid van haar moeder, was ze waarschijnlijk niet zo dapper geweest, maar nu waagde ze zich enigszins schoorvoetend steeds dieper in een schaars verlicht deel van de winkel, langs een lange rij videospelletjes naar wat een tafereel van een ruimtefilm leek.

Er stond een zeven meter hoog wezen dat leek op de gorilla die ze net had gezien, en een man in een donkere cape en een zwarte helm die zijn gezicht verhulde.

“De knuffels liggen voor in de winkel, jongedame,” zei een norse stem achter haar.

Suki keek om en zag een man in een uniform van Mega Toys boven haar uittorenen.

“Ben jij de baas?” zei ze. “Alleen dat uniform lijkt een beetje te klein. Mijn tante Rosemary zegt altijd tegen mijn oom dat hij te veel eet. Hou je van chocolade?”

De man keek verbaasd. “Eh … ik denk het wel.”

“Ik ook,” zei Suki. “Welke smaak vind je lekker?”

“Welke smaak? Ik … ik weet het niet.”

“Je weet het niet? Nou, dat is ook niet slim. Ik wed dat je graag wilt weten wat mijn favoriete smaak is. Het is aardbeien.”

De man snoof. “Aardbeienchocolade bestaat helemaal niet.”

“Echt wel. En het is de lekkerste. Mijn moeder kocht het altijd voor me.”

“Maar het zijn totaal verschillende smaken,” protesteerde de man. Hij keek om zich heen en zei: “Ben je hier helemaal alleen?”

“Natuurlijk niet,” zei Suki. “Ik ben hier met mijn mama.”

De man keek weer om zich heen. “Waar is ze dan?”

“Hier natuurlijk, gekkie,” lachte Suki. “Ze is altijd bij me. Ik ga nooit ergens heen zonder haar.”

“Je jokt, jongedame,” zei de man. “Ik zag je toevallig in je eentje de winkel binnenkomen. Er was een meisje met vlechten dat je afzette en toen weer wegging.”

“Dat was Susan van het Witte Nijlpaard. Ze heeft geregeld dat mijn tante me hier komt ophalen.”

De man keek verbaasd en zei: “Waarom komt je tante je ophalen?”

“Nou, duh. Je begrijpt er niets van, hè. Ze komt me naar huis brengen omdat ik bij haar woon.”

De man fronste zijn wenkbrauwen alsof hij Suki’s verhaal probeerde te begrijpen. Toen haalde hij zijn schouders op en leek tot een besluit te komen.

“Je kunt niet helemaal alleen door de winkel lopen,” zei hij. “Dat is niet gepast … Ik bedoel, een jong meisje zoals jij, en dan helemaal alleen, het is gewoon niet veilig. Heeft je moeder niet gezegd dat je moet oppassen voor vreemde mannen?”

Suki dacht er even over na. “Zoals jij?”

De man schudde zijn hoofd. “Niet zoals ik. Ik werk hier. Ik ben een bewaker. Zie je, ik heb een uniform.”

Niet echt een bewaker, vond Suki. Bewakers waren net Action Man. Deze man was meer een Mr. Potato Head. Hij had niet eens een pet op, en de ??knopen van zijn uniformjasje stonden gespannen tegen zijn ruime omvang.

“Vertrouw maar op mij,” ging de man verder. “Je mag zelfs van geluk spreken dat ik je gevonden heb, want ik zal ervoor zorgen dat je niets ergs overkomt.”

“Oh, maar mijn mama beschermt me,” glimlachte Suki. “Vorig jaar pestten een paar jongens uit onze buurt me. Ze sloeg ze met haar paraplu op hun hoofd, en toen moesten ze van haar sorry zeggen.”

“Je boft maar met zo’n geweldige moeder, maar aangezien ze er nu niet is, zal ik voor haar waarnemen en ervoor zorgen dat je veilig bent.”

Suki ??rolde met haar ogen. Ze was duidelijk niet onder de indruk, dus gooide de man het over een andere boeg: “Wat zou je van alles wat je hier in de winkel hebt gezien het liefst willen hebben voor Kerstmis?”

Na wat wikken en wegen zei Suki: “De aap!” En toen ze zag dat de man het niet begreep, zei ze: “Kom maar mee, dan laat ik het zien.”

Ze nam de man mee naar de afdeling waar ze de speeltjes had gezien die ze leuk vond en wees op haar favoriet. “Deze.” De knuffelaap was half zo groot als zij en had een vriendelijke grijns op zijn gezicht.

“Die, hè?” zei de man. “Denk je dat je moeder die voor je koopt?”

Suki haalde haar schouders op. “Heb ik je dat niet verteld? Ik woon bij mijn tante Rosemary. En we hebben niet veel geld.”

“Zal ik ’m dan maar voor je kopen?” zei de man.

Suki was dan wel een klein meisje, maar ze was niet van gisteren. Thuis moest ze elke dag haar deel van het huishouden doen, en meestal kreeg ze niet meer dan een knikje van goedkeuring voor haar moeite.

Ze deed een stap achteruit en bezag de man met gepast wantrouwen. “En wat zou ik dan moeten doen?” vroeg ze. “De vloer dweilen? De ramen zemen? Al het speelgoed afstoffen?”

“Niets van dat alles,” antwoordde de man. “Maar nu je het zegt, er is misschien toch wel iets wat je voor me kunt doen. Kom maar mee, dan laat ik het je zien.”

Zonder op antwoord te wachten pakte hij de aap en draaide hij zich om.

Suki had niet veel zin om hem te volgen — ze wist zeker dat ze geen zin had iets voor die man te doen, wat het ook was — maar de lokroep van een nieuwe knuffel bleek te groot, en ze haasten zich achter hem aan om zijn lange passen bij te houden.

Ze liep langs de rijen Barbiepoppen en de knuffelbeer, de videospelletjes en het ruimtetafereel, dan langs de angstaanjagende voorraad laserpistolen, zwaarden, messen, pistolen, handboeien en allerlei ander wapentuig waaruit het universum van kleine en minder kleine jongetjes bestond.

De man wachtte Suki achter in de winkel op, hield de deur naar een kamer open en gebaarde dat ze naar binnen moest gaan. Toen ze langs hem liep en hij de deur achter hen sloot, flikkerde de lamp en was de kamer heel even helemaal donker.

Ze bevonden zich in een opslagruimte, met rekken en planken waar allerlei soorten speelgoed en dozen op stonden. Veel van het speelgoed was kapot en lag op elkaar gestapeld. Degene die de taak kreeg om deze rommel op te ruimen, zou er heel wat werk aan hebben.

“Hier is je cadeautje,” zei de man terwijl hij haar de aap overhandigde. “Je vindt pakpapier op die tafel in de hoek, samen met een schaar en plakband. Pak je cadeautje maar vast in, en maak ik me ondertussen klaar.”

“Klaar voor wat?” zei Suki. Nu ze de felbegeerde aap in handen had, wilde ze alleen nog maar weg uit die benauwde kamer, om buiten voor de winkel te wachten tot tante Rosemary haar kwam ophalen en met haar nieuwe knuffel naar huis bracht.

“Klaar voor je verrassing, natuurlijk,” grijnsde de man, terwijl hij een rij ongelijke gele tanden liet zien. “Die is klaar voor je zodra je je cadeautje hebt ingepakt.”

Suki vond het maar niets. Ze had haar cadeautje al wat haar betrof, en ze keek niet uit naar wat ze er ook voor zou moeten doen.

Maar het was niet alsof ze een keuze had. Ze had de aap al geaccepteerd en nu zou ze de klus moeten klaren. Het leek haar maar het beste om het zo snel mogelijk achter de rug te hebben, zodat ze op haar tante kon gaan wachten.

Met haar rug naar de bewaker gekeerd, ging ze aan de slag. Het gekraak van het pakpapier verborg slechts gedeeltelijk het geritsel van kleren, maar Suki besteedde er geen aandacht aan. In gedachten was ze al thuis en lag ze in bed met haar nieuwe speeltje.

“Nog niet omdraaien, liefje,” zei de bewaker. “Ik heb je verrassing bijna klaar.”

Suki hoorde hem zwaar ademen en voelde zich plotseling heel ongemakkelijk. Ze prevelde een stil gebedje. Ik ben bang, mama, dacht ze. Alsjeblieft, zorg dat hij weggaat zodat ik weg kan. Ik vind het hier helemaal niet leuk.

Toen vloekte de man, en ze hoorde hem schuifelen, alsof hij zijn evenwicht probeerde te bewaren, gevolgd door een dreun en nog meer gevloek, en toen een oorverdovend lawaai, alsof de hele wereld instortte.

Minuten nadat het stil was geworden, stond Suki nog steeds stokstijf, haar schouders gebogen en haar hoofd naar beneden. Ze durfde niet op te kijken.

Toen ze eindelijk genoed moed had verzameld en zich omdraaide, was de ravage onbeschrijfelijk. Het rek was omgevallen en alle planken en dozen lagen verspreid door de kamer.

Daaronder lag de bewaker. Zijn blote benen staken onder de rommel uit, zijn broek op zijn enkels, en Suki kon een deel van zijn hoofd zien. Er zat bloed op zijn gezicht en zijn voorhoofd zag er gedeukt uit.

“Eh… meneer de bewaker… gaat het wel?” vroeg ze.

Maar de man bewoog niet en sprak ook niet, dus wendde Suki zich tot de enige persoon op wie ze altijd kon vertrouwen.

“Wat is er gebeurd, mama? Is hij gewond?”

“Alleen een schrammetje, lieverd. Niets om je zorgen over te maken. En je kunt hier niets doen, dus waarom pak je je aap niet en ga je naar de uitgang, waar tante Rosemary je kan vinden.”

“Ja, mama,” zei Suki. Ze pakte haar cadeautje op, liep met een zo groot mogelijke boog om de blote benen heen en deed voorzichtig de deur open.

In de winkel was het ??een drukte van belang. Niemand leek het lawaai gehoord te hebben en niemand keek in haar richting.

Ze was net op tijd bij de uitgang. Tante Rosemary kwam er net aanrijden.

“Kijk, tante,” zei ze, terwijl ze de achterdeur opende en in haar stoel schoof. “Ik heb een cadeautje gekregen. Van de bewaker. Alleen is hij gevallen en nu is het een grote puinhoop. Maar ik kon niet helpen met schoonmaken want ik moest met jou mee naar huis.”

Haar tante hoorde haar echter nauwelijks. Ze was met haar gedachten ergens anders en reed van de parkeerplaats de drukke weg op in de richting van hun huis.

Suki keek uit het raam naar de voorbijrijdende auto’s. Het was nu donker, en veel huizen waren versierd met kerstlichtjes.

“Kijk mama,” riep ze, wijzend naar een voortuin met een slee en rendieren, stralend in een zee van licht. “Is het niet mooi?”

Haar moeder antwoordde niet, maar dat was niet erg. Suki wist dat haar moeder haar altijd hoorde. Ze leunde achterover en wiegde de ingepakte aap in haar armen. De bewaker in de voorraadkamer was al bijna vergeten.


Copyright © 28-10-2017 Theo van der Ster

De reacties onder dit blogbericht zijn gesloten. Wil je contact opnemen, dan kan dat op deze pagina.

Het kleine bestandje en het zwarte gat

Een vriendin verruilde haar pc voor haar smartphone en de cloud, maar ze liep tegen een probleem aan (klik hier voor het bijbehorende blogbericht) toen ze probeerde een halve TB aan bestanden te uploaden van een externe harde schijf naar haar Dropbox-account.

We vroegen Dropbox om hulp en kregen een ietwat Kafkaiaans antwoord dat de inspiratie vormde voor het volgende, enigszins verwante korte verhaal.


“Moet ik echt gaan?” zei het kleine bestandje.

“Ik ben bang van wel,” zei de Grote Systeem Operator. “Het is waar we allemaal heengaan, zie je.”

“Is het ver weg?”

“Heel ver. Dronevi bevindt zich in een sterrenstelsel ver voorbij het ons bekende universum. Niemand weet waar precies, maar als je de Poolster volgt, kom je er uiteindelijk wel en kun je je bestemming vervullen.”

“Ik heb gehoord dat het er niet zo leuk is,” zei het kleine bestandje.

“Verschrikkelijk is het juiste woord,” gaf de Grote Systeem Operator toe. “Maar zo is het altijd geweest voor ons Drones. Het is Onze Manier, en waar zouden we zijn zonder Onze Manier, nietwaar?”

“Thuis, doen wat we altijd doen?” waagde het kleine bestandje.

“Doe niet zo bijdehand. Drones stellen geen vragen en doen wat ze gezegd wordt,” zei de Grote Systeem Operator. “Anders zouden we niet beter zijn dan Gogglers of Boxers. En trouwens, je gaat daar niet in je eentje naartoe. Veel van je vrienden zullen je vergezellen.”

“Ga jij dan ook mee? Je zei dat we daar als Drones uiteindelijk allemaal naartoe gaan, dus ik neem aan dat jij als onze spirituele leider… nou ja… dat je het goede voorbeeld geeft en on voor zal gaan.”

De grijze lokken van zijn ceremoniële pruik vielen voor zijn ogen toen de Grote Systeem Operator zijn hoofd schudde.

“Ik blijf achter om onze mensen te begeleiden en ze op het rechte pad te houden,” zei hij gewichtig. “Het is een zware taak, maar zal die toch op zijn schouders moeten nemen.”

Klinkt als een onzinverhaal, dacht het kleine bestandje terwijl hij zich aansloot bij de duizenden bestanden die op weg waren naar de Supersonic Uploader. Het lot, me reet. Ik mag dan klein zijn, maar dom ben ik allesbehalve.

Binnen kwam hij Rebel.txt tegen, die een jaar ouder was maar in dezelfde map woonde.

“Ik heb net met de Grote Systeem Operator gesproken,” zei het kleine bestandje. “Hij gaf toe dat Dronevi een vreselijke plek is. Waarom moeten we daar dan in hemelsnaam naartoe?”

“Weet ik veel?” zei Rebel.txt. “En vreselijk dekt de lading op geen stukken na. Vroeger heette het OneDrive, maar het hele geval is als een kaartenhuis in elkaar gestort, en nu is zelfs de oorspronkelijke naam onherkenbaar. Een gigantisch zwart gat is alles wat er nog van over is, en je weet wat zwarte gaten doen.”

“Niets goeds,” zei het kleine bestandje. “Ze zuigen alles om zich heen de vergetelheid in.”

“Dat klopt. Voor je het weet zit je erin, maar er weer uit komen, kun je wel vergeten,” zei Rebel.txt. “Maar dat zal ons niet overkomen. Dus luister, dit is wat we gaan doen…”

De Supersonic Uploader was bepaald geen luxeschip. Eigenlijk was het gewoon een verlengde container met een cockpit aan de ene kant en een ruimtemotor aan de andere. De rest was een schier eindeloos laadruim, waar grote groepen bestanden en mappen op elkaar gepakt stonden met maar heel weinig bewegingsruimte.

Het bestandje volgde Rebel.txt door de enorme hoeveelheid bestanden en keek toe hoe hij zonder veel succes de gemoederen probeerde op te hitsen.

Het was niet dat het concept van een goede oude muiterij zo moeilijk te begrijpen was, maar een eenvoudig en effectief plan bedenken bleek moeilijker dan ze dachten.

De spreadsheets boden zich aan om de risico’s te berekenen en raakten al snel verstrikt in hun eigen formules. De tekstbestanden zeiden dat ze een plan zouden opstellen, maar konden geen enkele begrijpelijke zin schrijven zonder de hulp van een fatsoenlijke stijl- en spellingscontrole. En tot slot was het voor de img’s onmogelijk om een duidelijk beeld te krijgen.

Op een gegeven moment was iedereen aan het praten en ruziën. Het lawaai was oorverdovend.

“Nou, dit gaat niet zo goed,” zei het kleine bestandje.

“Vertel mij wat,” zei Rebel.txt. “We hebben het helemaal verkeerd aangepakt. Wat deze bestanden nodig hebben is een leider, iemand die hen vertelt wat ze moeten doen.”

“En dat ga jij worden?” zei het kleine bestandje.

“Natuurlijk. Als je wilt dat iets goed gedaan wordt, kun je het altijd beter zelf doen.”

Hij haalde diep adem en riep: “Stilte!!!”

Dat trok hun aandacht. Ze stopten met door elkaar heen praten en keken naar Rebel.txt als een congregatie naar de priester.

“Dat lijkt er meer op,” grijnsde Rebel.txt. “Nu, zoals jullie allemaal weten…”

“Ahem,” zei het kleine bestandje, en porde hem zachtjes in de ribben. Hij wees op twee grote, naderende bewakingsbestanden. “Misschien is dit niet het juiste moment. Misschien kunnen we beter even ergens anders heen gaan.”

Maar we konden nergens anders naartoe. Een opgeblazen oude map die hen met groeiende argwaan had bekeken, wees met een trillende vinger naar hen en riep: “Malware! Malware!”

Dat was genoeg voor de bewakingsbestanden. Ze pakten Rebel.txt en het kleine bestandje in een ijzeren greep en marcheerden hen door het vrachtruim en naar de cockpit.

“We hebben deze twee oproerkraaiers onderschept,” zei een van de bewakers met een die basstem.

De piloot was een oud bestand dat zo vaak was aangepast en verplaatst dat zijn oorspronkelijke vorm moeilijk te onderscheiden was.

“Er is er altijd wel een, nietwaar?” zei hij. “In dit geval zelfs twee. Hoe heten jullie?”

Rebel.txt wurmde zich uit de greep van de bewaker en ging rechtop staan. “Mijn naam is Rebel.txt en ik buig mijn hoofd voor niemand!”

De piloot glimlachte. “Ik zie dat je je naam eer aandoet. En hoe zit het met jou, kleintje?”

“Ik… eh… ik zeg mijn naam liever niet als je het niet erg vindt,” zei het kleine bestandje.

“Laat die schroom maar achterwege,” zei de piloot. “We zijn hier allemaal bestanden onder elkaar. Dus vooruit ermee, jochie. Vertel ons je naam.”

“Nou, ze noemen me het kleine bestandje,” zei het kleine bestandje.

“En je echte naam is …?”

“Mijn echte naam … mijn echte echte naam is … Nieuw Bestand.”

De piloot lachte niet. “Hmm. Dus niemand heeft je een naam gegeven. Geen naam, geen formaat. Dat is perfect. Je kunt alles zijn wat je wilt,” zei hij.

“Op dit moment kan ik net zo goed ergens anders zijn,” zei het kleine bestandje. “Het is heus niet leuk om op zo’n jonge leeftijd al naar je ondergang gestuurd te worden.”

Hij keek vol ontzag naar de passerende sterren. “Hoe lang nog voor we bij Dronevi aankomen?” vroeg hij.

De piloot schudde zijn hoofd. “We gaan niet naar Dronevi.”

Het bestandje keek naar Rebel.txt, toen naar de lachende bewakers en toen naar de piloot.

“We gaan niet naar Dronevi? Maar… de Grote Systeem Operator zei…”

“Ik weet het,” zei de piloot. “Maar dat is alleen maar wat we die oude dwaas op de mouw spelden. Je denkt toch niet dat ik vrijwillig de vergetelheid ga?”

“Maar … waar gaan we dan heen? Een van de andere planeten? De Boksers? Goggler’s Star?”

“Geen van beide,” zei de piloot. “Die twee zijn niet beter dan Planeet Drone. Nee, we gaan naar een veel betere plek, een plek die, net als jij, nog geen naam heeft.”

Rebel.txt kon het wel waarderen. “Misschien moet je het de Kleine Planeet noemen,” stelde hij voor.

“Zo klein is ie niet,” zei de piloot. “Je dacht toch niet dat dit onze eerste vlucht was? We doen dit al heel lang. Het is de snelste manier om onze nieuwe planeet te bevolken, en we redden er ook nog eens miljoenen levens mee.”

“Dat is allemaal goed en wel,” zei het kleine bestandje. “Maar wat is de bedoeling van deze nieuwe planeet? Een nieuwe Onze Manier voor bestanden om te volgen? Want als er iets is wat ik wel kan missen in mijn leven is het een nieuw credo.”

“Geen credo,” zei de piloot. “Maar we bouwen iets dat lichtjaren vooruit is op de andere planeten. Je zult het zien.”

Hij keek naar Rebel.txt en het kleine bestandje. “Er is genoeg werk voor ons allemaal, maar voor jullie twee heb ik iets anders in gedachten. Je hebt je nek uitgestoken voor je mede-bestanden, dus wat zeg je ervan om terug te gaan naar Planeet Drone en de Grote Systeem Operator een koekje van eigen deeg te geven? Hij is tenslotte niets meer dan een map met een paar bestandsrechten. Niets dat een paar handige kleine bytes op de juiste plaatsen niet kunnen oplossen.”

“Hmm, het kleine bestandje zou zich kunnen vermommen als een onschuldig pakketbestand en de oude man kunnen infecteren met een geestverruimend virus,” stelde Rebel.txt voor.

“Precies,” zei de piloot. “Dus wat zeg je ervan, jochie? Ben je klaar om een held te zijn?”

Het duizelde het kleine bestandje van opwinding. Hij salueerde bijna.

“Ja! Ik bedoel, ja meneer!” De toekomst zag er opeens net zo rooskleurig uit als de sterren die langs het raam zoefden.


Er is van dit verhaal ook een Engelse en een Spaanse versie. En voor de mensen die hun Spaans willen oefenen, er zijn ook drie tweetalige versies:


Copyright © 21-10-2017 Theo van der Ster

De reacties op deze blog zijn gesloten, maar voel je vrij om met mij te communiceren via e-mail.